| C | C | D | E | F | G | A | B | C |
Wat nu volgt is ongeveer de essentie van het westerse muzieksysteem. De akkoorden van een toonladder en hun functie. Akkoorden bestaan uit opstapelingen van tertsen. Alle onderstaande akkoorden speel je op de witte toetsen van de piano, kijk maar hier. Als je van bovenstaande toonladder van C steeds alle tertsen stapelt zijn dit alle mogelijke combinaties van drieklanken:
Drieklank akkoord
CEG C
DFA Dmin
EGB Emin
FAC F
GBD G
ACE Amin
BDF B° (= B verminderd)
Diabolus in musica
B heet verminderd naar de verminderde kwint B-F. Het interval B – E# klinkt -en is- exact hetzelfde, maar je noemt het een overmatige kwart. Dat interval werd vooral vroeger wel de diabolus in musica genoemd, omdat het de meest dissonante klank is in de toonladder van C. In de middeleeuwen was hij zelfs verboden. Voor een hedendaags geoefend oor kan hij juist de noodzakelijke spanning mooi opwekken. Dat geldt zeker niet alleen voor heavy metal en voor soundtracks, zoals in de Wikipedia gesuggereerd wordt, maar ook voor bijvoorbeeld jazz en zelfs voor sommige pop.
Als je van bovenstaande ladder alle tertsen stapelt tot vierklanken zijn dit alle mogelijke combinaties:
Vierklank akkoord
CEGB Cmaj7
DFAC Dmin7
EGBD Emin7
FACE Fmaj7
GBDF G7
ACEG Amin7
BDFA Bm7♭5 (= B mineur zeven mol vijf)
(m=mineur)
Zo kom je voor een majeur toonladder met drieklanken tot de volgende trappen:
I – majeur
II – mineur
III – mineur
IV – majeur
V – majeur
VI – mineur
VII – verminderd
En met vierklanken tot de volgende:
I – Cmaj7
II – Dmin7
III – Emin7
IV – Fmaj7
V – G7
VI – Amin7
VII – Bm7♭5 (= B mineur zeven mol vijf)
Al deze akkoorden voor gitaar en piano komen overeen met de bovenstaande.
De trappen hebben allen hun functie in termen van spanning, ontspanning en oplossing:
I Tonica
II Sub-dominant
III Vervanging van tonica of dominant
IV Sub-dominant
V Dominant
VI Vervanging van sub-dominant of tonica
VII Vervanging van dominant
Hier kun je meer lezen over die functies:
In de praktijk komt het er op neer dat er vaak vaste cadensen gebruikt worden. Ik zeg nooit: “Zoveel mensen, zoveel cadensen”, maar voel je vooral vrij om alle mogelijke akkoorden op alle manieren aan elkaar te rijgen.
De dominant vraagt (door de eerder besproken boventonen) om de tonica en de sub-dominant vraagt om de dominant. Ze verhouden zich dan ook hetzelfde tot elkaar (4 trappen), dit zie je als je na trap VII weer met trap I begint.
In de praktijk is dit dan ook veelgehoord: Em – Am – D7 – G7 – C, wat jazzmuzikanten twee-vijf-eentjes zullen noemen. Als je die, zowel majeur als mineur binnenstebuiten en ondersteboven kunt keren zul je jazz kunnen spelen.
Monty Alexander kan dat bijvoorbeeld erg goed.
Gary Moore doet het wat gladder. In de baslijn kun je de 2-5-1 combinaties goed horen.
Je hoort ze ook veel in deze cover van Diana Ross.
Als je ze eenmaal kunt herkennen zul je merken dat er eigenlijk geen westerse muziekstukken bestaan zonder die verbindingen. Over harmonieleer valt erg veel te schrijven , maar je moet het zeker ook horen. Probeer daarom de akkoorden van stukken te analyseren en na te spelen.
Pingback: Contrapunt of een melodie bedenken «